Belgisch Forum voor Preventie en Veiligheid in de Steden

Thema’s

drug en drugshandel in Nederland en België

Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2 11

Dirk J. Korf, Edward Kleemans, Tom Decorte en Tim Boekhout van Solinge

Bolletjesslikkers, blowverboden, hennepkwekerijen, XTC-laboratoria en medische
verstrekking van heroïne, wie had in 1984 kunnen bevroeden dat deze termen
heel normaal zouden zijn in het drugsdiscours anno 2006? Het is alweer
meer dan twintig jaar geleden dat het Tijdschrift voor Criminologie een themanummer
uitbracht over drugs (Cohen e.a., 1984), met als titel Heroïne. Criminaliteit en
sociale reacties.

Achteraf blijkt 1984 de piekperiode van heroïne te zijn geweest. Alleen al in
Amsterdam waren er in dat jaar naar schatting bijna 10.000 heroïneverslaafden
en overleden er 73 aan een overdosis (Buning, 1990). De stad werd overspoeld
door ‘heroïnetoeristen’, met name uit Duitsland; met ruim dertig Duitse sterfgevallen
overleden er in 1984 evenveel Duitse verslaafden in Amsterdam als in
Berlijn (Korf, 1987). Tegenwoordig heeft Amsterdam nog geen 4.000 verslaafden
en sterven er rond de 20 per jaar na overdosering (Van Brussel & Buster, 2005).

Sinds 1984 is er veel veranderd. Hoog tijd dus om de aandacht te richten op drugs
die in de tussenliggende jaren op de markt zijn verschenen, zoals ecstasy, of waarvan
het gebruik sterk is toegenomen, zoals cannabis. In het vorige themanummer
stond de gebruiker, oftewel de vraagzijde van de drugsmarkt centraal. Een goede
reden om ditmaal meer aandacht te besteden aan de aanbodzijde. Hoewel indertijd
ook gekeken werd naar andere landen, was dat vooral vanuit Nederlands perspectief.

Ditmaal belichten we, als Nederlandstalig tijdschrift, ook de situatie in België.

In het themanummer van 1984 analyseerde Hulsman het Nederlandse drugsbeleid
als sterk door het heroïnebeleid gekleurd. Van Dijk ging in op de ervaringen
met de medische verstrekking van heroïne in het Verenigd Koninkrijk en besprak
de relevantie daarvan voor Nederland. Cohen zag als belangrijke voorwaarde voor
het welslagen van gereguleerde verstrekking het vergroten van de acceptatie van
heroïnegebruik onder de bevolking. Haverkamp ging in op de toen sterk in de
belangstelling staande stadia in de carrière van heroïnegebruikers en op de vorming
van de heroïnescene. Op een bijna karikaturale wijze benoemde hij typologieën
van heroïnegebruikers, zoals chequevervalsers of heroïneclochards. Kaplan
oversteeg de fi xatie op heroïnegebruik. Hij vergeleek de Nederlandse benadering
van drugs, waaronder cannabis, met die van landen als de VS, Zweden en Duitsland,
en bekritiseerde de ‘fundamentalistische’ opstelling in internationale verdragen.

Silvis waarschuwde voor de ongewenste gevolgen van de intensivering
van de strafrechtelijke drugsbestrijding. Het absolute hoogtepunt vormde de bijdrage
van Leuw over de Amsterdamse drugshulpverlening. Hij schetste een uniek
tijdsbeeld van de onbeholpen en chaotische wijze waarop bestuurders en goedwillende
burgers probeerden een antwoord te vinden op de plotse opkomst van aan
heroïne verslaafde jongeren.

116 Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2
Heroïneverslaafden waren indertijd overwegend jongeren en jongvolwassenen, nu
zijn het vaak veertigers en vijftigers (Van Brussel & Buster, 2005). Tegenover een
subcultuur van cannabisgebruikers, eind jaren zestig, is cannabisgebruik nu zo
wijd verspreid dat er gesproken wordt van normalisering. Dit tekent ook de theo-
Dirk J. Korf, Edward Kleemans, Tom Decorte en Tim Boekhout van Solinge

Normalisering en normaliseringsbeleid

De term normalisering wordt in het debat over drugs door verschillende auteurs op
verschillende manieren gebruikt. Enerzijds is er de (normatieve) defi nitie van de
rijksoverheid in de jaren tachtig als ‘een proces van gecontroleerde integratie van
het drugsfenomeen in de samenleving’ (Engelsman, 1992). In dit geval gaat het
dus om in het beleid nagestreefde doelen. Deze hebben betrekking op de houding
in de samenleving ten aanzien van drugsgebruikers; indertijd ging het vooral om
de acceptatie en maatschappelijke integratie van heroïneverslaafden. Dit betekent
bijvoorbeeld dat in Amsterdam bewust gestimuleerd is dat heroïneverslaafden
onder bepaalde voorwaarden methadon verstrekt krijgen van hun huisarts.

Daarnaast werd, als het ware als tegenprestatie, van verslaafden verwacht dat zij
geen overlast zouden veroorzaken.

Anderzijds wordt in het sociaal-wetenschappelijke discours met het concept
normalisering een kwalitatieve duiding gegeven aan (de betekenis van) drugsgebruik,
vooral met betrekking tot cannabis. De Britse socioloog Parker geldt
internationaal als grondlegger van het concept (Parker e.a., 1998). In kwantitatieve
zin spreekt voor normalisatie van cannabisgebruik dat het tegenwoordig
wijdverspreid is, weliswaar niet onder de totale bevolking, maar wel binnen grote
groepen van vooral jonge mensen. Als zij zelf nog nooit geblowd hebben, kennen
ze vaak wel leeftijdsgenoten die gebruiken. Cannabis is simpelweg aanwezig in de
leefwereld van jonge mensen. In kwalitatieve zin telt vooral dat cannabisgebruik
grotendeels ontdaan is van subculturele en ideologische connotaties. Gebruikers
vormen in meerderheid niet een groep maatschappelijk gederangeerden, maar
gaan naar school, studeren en/of hebben een baan. Cannabisgebruik, maar
evenzeer het gebruik van bijvoorbeeld XTC in het moderne uitgaansleven, heeft
tegenwoordig veel minder de functie van sociale distinctie en is slechts één van de
manieren om de eigen identiteit gestalte te geven, samen met muziekvoorkeur,
kleding en dergelijke (zie ook: Duff , 2003).

Aanhangers van de normaliseringsthese verzetten zich tegen critici die stellen dat
er geen sprake kan zijn van normalisering zolang de meerderheid van de bevolking
of van de jongeren en jongvolwassenen geen cannabis gebruikt, respectievelijk nog
nooit gedaan heeft (Shiner & Newburn, 1997; South, 1998). Of bijvoorbeeld door
te stellen dat 70 procent van de Nederlandse gemeenten geen coff eeshops wenst
(Van de Bunt, 2006) – overigens zijn het feitelijk vooral de kleine gemeenten die
geen coff eeshops toestaan (Bieleman e.a., 2005).

Normalisering lijkt zich grotendeels als een spontaan en relatief autonoom proces
te voltrekken, zonder duidelijke relatie met het (offi ciële) beleid van een land.

Normaliseringsbeleid is dus voorwaarde noch garantie voor het sociale proces van
normalisering.

Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2 117

Drugs en drugshandel in Nederland en België
retische heroriëntatie. Werd eertijds vooral heroïneverslaving verklaard vanuit
subculturele theorieën en geduid in termen van labelling en secundaire deviantie,
bij het meeste hedendaagse drugsgebruik is veel minder sprake van sociaaleconomisch
achtergestelde groepen. XTC-gebruikers gelden niet als slachtoff er
van maatschappelijke omstandigheden, stigmatisering en marginalisering, maar
worden ‘rationele consumenten’ genoemd (Van der Stel).1

Drugs en drugsgebruikers

Van de steeds verder uitdijende lijst verboden drugs wordt feitelijk slechts een
klein deel daadwerkelijk gebruikt. Cannabis (hasjiesj en marihuana) was en is de
meest geconsumeerde illegale drug. Volgens de laatste beschikbare cijfers (uit
2001) had 17 procent van de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder ooit wel
eens cannabis gebruikt; 3 procent deed dat in de laatste maand en behoorde daarmee
tot de actuele gebruikers (Abraham e.a., 2002). Belgische cijfers over hetzelfde
jaar zijn niet precies vergelijkbaar, want deze gaan over de leeftijdsgroep
15-64 jaar. Zij indiceren een wat lager aandeel ‘heeft ooit gebruikt’ (11 procent),
maar het actuele gebruik (3 procent) is vergelijkbaar met Nederland (Gisle e.a.,
2002). Voor Nederland spreekt Korf (2006) van een inhaalrace van het platteland,
waarbij jongeren in kleine gemeenten tegenwoordig nauwelijks nog minder blowen
dan die in de grote steden. Mogelijk is deze trend in België wat later ingezet.

In 2003 deden Belgische scholieren van 15-16 jaar niet onder voor hun leeftijdsgenoten
in Nederland. Op deze leeftijd had een derde van de Belgische en ruim een
kwart van de Nederlandse scholieren wel eens geblowd; ook het actuele gebruik
lag iets hoger in België (tabel 1).

Tabel 1: Drugsgebruik onder scholieren van 15-16 jaar in Nederland en België
(2003)

Nederland België

Ooit Laatste maand Ooit Laatste maand

Cannabis 28% 13% 32% 17%
XTC 5% 2% 4% 1%
Cocaïne 3% 1% 3% 1%
Amfetamine 3% 1% 2% 1%

Bron: Monshouwer e.a. (2004); Sleiman (2004)

De tweede categorie illegale drugs bestaat uit stimulantia (cocaïne, XTC en amfetamine).

Zij hebben een oppeppende werking en zijn inmiddels vooral bekend als
‘uitgaansdrugs’. Cocaïne is de oudste in dit rijtje. Het is een ‘natuurlijke’ drug,
gemaakt van de cocaplant. Op deze drug gaan we in de volgende paragraaf afzonderlijk
in. XTC is de populaire benaming voor een synthetische drug (MDMA) die
voornamelijk verkrijgbaar is als tablet, maar ook wel als poeder of vloeistof. Naast
1 Vet gedrukte verwijzingen verwijzen naar andere artikelen in dit themanummer.

118 Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2

de stimulerende werking heeft het middel contactbevorderende (entactogene)
eigenschappen. De explosieve groei, eind jaren tachtig en begin jaren negentig,
hing sterk samen met de populariteit van housemuziek en de daaraan gelieerde
partycultuur. Amfetamine (speed) is een poeder (soms een tablet) dat zowel
gesnoven wordt als geslikt. De drug kan ook gespoten worden, maar dit komt
weinig voor. Anders dan in bijvoorbeeld Zweden is amfetamine in Nederland en
België nooit echt een ‘junkiedrug’ geweest. Van deze drie drugs is amfetamine het
goedkoopst (meestal 5-15 euro per gram), gevolgd door XTC (3-5 euro per pil van
gemiddeld ca. 1/10 gram) en cocaïne het duurst (40-50 euro per gram). Zowel in
België als in Nederland worden deze drugs slechts door een paar procent van de
15-16-jarige scholieren gebruikt.

De derde categorie bestaat uit psychedelica, de echte bewustzijnsveranderende
middelen. Deze middelen zijn vrijwel allemaal illegaal (met uitzondering van paddo’s
voor Nederland; de werkzame stof psylocibine is hier, net als in België, wel
verboden). Van de psychedelica wordt LSD in de lage landen het langst gebruikt.
Van de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder heeft slechts 1.0 procent hier
ervaring mee en vrijwel niemand heeft de laatste maand LSD gebruikt. Paddo’s
scoren met 2.6 procent ‘heeft ooit gebruikt’ wat hoger, maar bij slechts 0.1 procent
was dat in de laatste maand (Abraham e.a., 2002). Dit is ook het kenmerkende
patroon bij psychedelica; er wordt weinig mee geëxperimenteerd en degenen die
het wel doen, beperken hun gebruik meestal tot een of een paar keer. Slechts een
kleine groep ‘psychonauten’ is in het gebruik van dit soort drugs geïnteresseerd
(Nabben e.a., 2005b).

De vierde categorie omvat narcosemiddelen, met opiaten als bekendste variant.

Afgezien van codeïne en morfi ne (beide op recept) gaat het hierbij vooral om
heroïne. Het aantal heroïne- en/of cocaïneverslaafden wordt voor Nederland
geschat op 32.000 (NDM, 2006). Voor België dateert de laatste schatting uit 1995,
met ongeveer 20.000 ‘problematische gebruikers’, waarbij dit gelijkgesteld wordt
aan intraveneus drugsgebruik (Sartor e.a., 2001). Deze schattingen komen voor
beide landen neer op 2 per 1.000 inwoners. Ongeveer 10 procent van de heroïneverslaafden
in Nederland spuit de drug, de meeste anderen roken (NDM, 2006);
voor België zijn hieromtrent geen cijfers bekend.

Gebruik van narcosemiddelen komt ook wel voor in uitgaanscircuits. Het algemene
patroon hierbij lijkt dat van kortdurende hypes, zoals lachgas aan het eind
van de jaren tachtig en GHB rond de millenniumwisseling (Korf e.a., 2004). Veelal
beperkt het gebruik van dergelijke middelen zich tot kleine, subcultureel georiënteerde
‘scenes’ van bijvoorbeeld de eerdergenoemde psychonauten, zoals in het
geval van ketamine (Nabben & Korf, 2000). Over het gebruik van deze drugs is in
België geen systematische informatie beschikbaar.

Volgens Nederlandse cijfers is de gemiddelde leeftijd bij het eerste cannabisgebruik
20 jaar (Abraham e.a., 2002). Met ruim 40 procent is het ooit-gebruik het
hoogst bij de 20-24 jarigen (dit lagere percentage bij oudere groepen geeft aan dat
van de huidige jonge generatie een groter deel wel eens geblowd heeft). Dat is ook
de leeftijd met het hoogste actuele gebruik, namelijk ongeveer 10 procent, zowel
in België als in Nederland.

Dirk J. Korf, Edward Kleemans, Tom Decorte en Tim Boekhout van Solinge

Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2 119

Drugs en drugshandel in Nederland en België

Met harddrugs wordt iets later begonnen. De Nederlandse cijfers zijn: gemiddeld
21 jaar voor amfetamine, 22 voor XTC en 23 voor cocaïne (Abraham e.a., 2002).

België beschikt niet over zulke nationale gegevens; in een studie onder ervaren
cocaïnegebruikers in Antwerpen was de gemiddelde leeftijd bij het eerste gebruik
20 jaar (Decorte, 2000). De piek in het ooit- en actuele gebruik van XTC, cocaine
en amfetamine ligt in Nederland eveneens bij 20-24 jarigen. De cijfers voor
ooit-gebruik binnen deze leeftijdsgroep zijn 13.6, 8.6 en 9.5 procent, voor actueel
gebruik 2.5, 1.9 en 0.9 procent. Voor bezoekers van trendsettende clubs (discotheken)
in Amsterdam (gemiddeld 27 jaar) liggen de cijfers veel hoger (tabel 2).

Tabel 2: Meest gebruikte illegale drugs in Nederland

Cannabis Cocaïne XTC Amfetamine

Ooit Laatste

maand

Scholieren 12-18 jaar (2003) 18.7% 8.6% 2.2% 0.8% 2.9% 1.2% 2.2% 0.8%

Algemene bevolking 12+ jaar

(2001)

17.0% 3.0% 2.9% 0.4% 2.9% 0.5% 2.6% 0.2%

Trendy uitgaanders

Amsterdam (2003)

82.2% 39.2% 39.4% 13.7% 52.7% 19.4% 33.7% 6.7%

Bronnen: Monshouwer (2003), Abraham e.a. (2002), Korf e.a. (2004)

De atypische rol van cocaïne

Cannabis, XTC, cocaïne en amfetamine zijn middelen die ook in België bovengemiddeld
hoog scoren onder uitgaanders (Van Havere e.a., 2004). Ook groepen
deviante jongeren, zoals spijbelaars, school drop-outs, zwerfj ongeren en jonge
gedetineerden, gebruiken deze drugs veel meer dan hun leeftijdsgenoten (NDM,
2005; Sleiman, 2004). Er is echter één harddrug die grote populariteit heeft zowel
onder trendsettende, maatschappelijk succesvolle uitgaanders als onder gemarginaliseerde
(heroïne)verslaafden: cocaïne.

Om aan te geven dat er twee, grotendeels gescheiden detailhandels- en gebruikerscircuits
bestaan, spreken Nabben en Korf (1999) van divergerende subculturen.

Cocaïne is een wit poeder, een zout dat in water oplosbaar is. Het wordt
meestal gesnoven en door verslaafden ook wel gespoten (zij het steeds minder).

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig was het eerst vooral een uitgaansdrug,
snel daarna gingen ook heroïneverslaafden de drug gebruiken. Onder uitgaanders
beleeft cocaïne sinds eind jaren negentig een revival en bij trendsetters op
de drugsmarkt heeft het middel intussen XTC van de eerste plaats verdrongen
(Nabben e.a., 2005b). Cocaïne is er ook in basische vorm en is dan niet oplosbaar
in water. Daarom wordt het niet gesnoven of geïnjecteerd, maar gerookt (‘basen’).

Aanvankelijk maakten gebruikers (vooral heroïneverslaafden) van poeder zelf
‘base coke’, tegenwoordig wordt het kant en klaar verkocht in (bruine) brokjes en
is het feitelijk hetzelfde als wat in de VS crack heet.

120 Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2

In België onderzocht Decorte (2000) de patronen van cocaïnegebruik bij respondenten
uit het Antwerpse nachtleven. De resultaten strookten wonderwel met de
bevindingen uit veldstudies onder een vergelijkbare groep in Amsterdam (Cohen,
1989) en illustreren dat cocaïne bij recreatieve gebruikers niet zo’n heel belangrijk
deel van hun leven uitmaakt. Het alledaagse leven van de gebruikers wordt veel
minder door het middel gedomineerd en hun sociale netwerken worden veel minder
exclusief door het druggebruik bepaald dan in de populatie verslaafden (zie
bijvoorbeeld Boekhout van Solinge, 2001; Coumans, 2006). Decorte concludeert
dat de gevolgen van cocaïnegebruik van veel meer afhangen dan alleen de farmacologische
eigenschappen van het product. Informele controlemechanismen (sociale
rituelen en sancties), die vooral via peers (leeftijdsgenoten, medegebruikers,
gelijkgezinden) worden doorgegeven, zorgen ervoor dat heel wat gebruikers hun
gebruik onder controle kunnen houden. Een follow-up studie na zes jaar toonde
aan dat de spontane processen van zelfregulering nog steeds actief waren en nog
voortdurend verder werden ontwikkeld en verfi jnd (Decorte & Slock, 2004). Voor
velen viel cocaïnegebruik echter inmiddels niet meer te rijmen met allerlei verantwoordelijkheden
en nieuwe rollen in het leven: ze waren getrouwd, hadden
kinderen en een baan, en gaven aan daarom hun gebruik te hebben geminderd
of zelfs helemaal stopgezet; meer dan de helft van de follow-up sample had het
laatste jaar geen cocaïne meer gebruikt. Ook hierbij zijn er grote overeenkomsten
met Amsterdam (Cohen & Sas, 1995)

De aanbodzijde van de cocaïnemarkt wordt vaak getypeerd in termen van misdaadondernemingen
en kartels. De structuur van cocaïneproductie, -distributie
en -handel wordt hierbij op een statische manier gedefi nieerd (groepen met een
piramidale en hiërarchische structuur, vaste arbeidsverdeling, interne sanctiesystemen,
enzovoort). Korf en Verbraeck (1993) lieten voor het middenniveau
zien dat de cocaïnehandel veel dynamischer is en vooral fungeert dankzij flexibele
netwerken. Ook de studie van Zaitch (2001) naar Colombianen die in Nederland
bij de cocaïnehandel betrokken zijn, noopt tot een grondige nuancering van het
klassieke beeld van de almachtige en sturende rol van Colombiaanse kartels. De
cocaïneondernemingen zijn betrekkelijk klein, wisselen snel van vorm, werken
sterk decentraal, er is geen stabiele bestuurlijke of administratieve ‘top’ en het
zijn zelden familiebedrijven. Ook de arbeidsverhoudingen zijn in hoge mate fl exibel.

Op groothandelsniveau hebben inmiddels verschillende onderzoeken inzicht
gegeven in de dynamiek en het netwerkkarakter van criminele samenwerkingsverbanden
(Fijnaut e.a., 1996; Kleemans e.a., 1998; 2002).

De laatste jaren wordt het beeld van de cocaïnehandel in Nederland gedomineerd
door de ‘bolletjesslikkers’. Uit een analyse van de aanhoudingen op Schiphol tussen
januari en augustus 2002 concludeerden Maalsté e.a. (2002) dat in slechts een
op de drie gevallen sprake was smokkel van cocaïne verstopt in het lichaam. Veel
vaker zat de smokkelwaar in de bagage of op het lichaam. Grüter en Van de Mheen
(2005) stellen dat de grootschalige cocaïnetransporten naar Nederland zelden
hun weg vinden naar de Nederlandse lokale markt, die volgens hen bijna louter
wordt voorzien door de kleinschalige (althans per smokkelaar) cocaïne-invoer via
de luchthaven Schiphol. Hun onderzoek betreft overigens vooral kleine handela-
Dirk J. Korf, Edward Kleemans, Tom Decorte en Tim Boekhout van Solinge

Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2 121

Drugs en drugshandel in Nederland en België

ren die in meerderheid zelf stevig cocaïne gebruiken, al dan niet gecombineerd
met heroïne, en vooral op de markt van verslaafden gericht zijn. Een open vraag
is welke rol deze kleine smokkelaars spelen in de toelevering naar de markt van
recreatieve gebruikers.

Cocaïne komt in dit themanummer niet apart, maar binnen een aantal artikelen
aan de orde: als concurrent van XTC bij gebruikers van partydrugs (Neve en
Van Ooyen), als middel dat een steeds belangrijker rol gekregen heeft in de heroïnescene
(De Vries) en in het strafrechtelijk beleid (Blom). Maar er blijven nog veel
vragen over. Hoe belangrijk de Schipholroute is voor de totale invoer van cocaïne
in Nederland, hoe deze zich verhoudt tot de smokkel over zee (bijvoorbeeld via
de haven van Rotterdam), de consequenties van de geïntensiveerde ‘100 procent
controles’ op Schiphol voor de structuur en omvang van de Nederlandse cocaïnehandel,
het zijn stuk voor stuk vragen waarop voorlopig het antwoord ontbreekt.

Intrigerend is wel dat de prijs op consumentenniveau (40-50 euro per gram) de
laatste jaren niet is gestegen en zelfs is gehalveerd vergeleken met de ruim 200
gulden, begin jaren negentig (Korf e.a., 1994), terwijl de vraag eerder toe- dan
afgenomen is (Nabben e.a., 2005b; NDM, 2006).

Drugshandel en opsporingsmethoden

Door de grote aandacht voor gebruikers is er lange tijd nauwelijks oog geweest
voor de winstgevendheid van productie en handel. In de jaren zeventig en tachtig
veranderde de wereld van de zware misdaad geleidelijk van karakter door de groei
van de drugshandel. Autochtone Nederlandse en Surinaamse daders behaalden
grote winsten met de transnationale handel in cannabis en cocaïne, en investeerden
hun winsten in onroerend goed en kleine bedrijven (Fijnaut e.a., 1996).

Eind jaren tachtig, begin jaren negentig resulteerde dit in een groei van het aantal
grote opsporingsonderzoeken naar (transnationale) drugshandel.

De volle omvang van het probleem van de drugshandel en de bestrijding daarvan
werd in Nederland pas duidelijk ten tijde van de IRT-aff aire. Naar aanleiding van
de commotie rondom de opheffi ng in 1993 van het Interregionaal Rechercheteam
(IRT) Noord-Holland/Utrecht werd een Parlementaire Enquêtecommissie ingesteld
onder voorzitterschap van Maarten van Traa (PEO, 1996). Deze Commissie-
Van Traa deed onderzoek naar de aanleiding voor de opheffi ng van het IRT, de
omstreden Delta-methode, maar ook veel breder naar de inzet van (bijzondere)
opsporingsmethoden zoals infi ltratie, pseudokoop, gebruik van informanten,
aftappen van telecommunicatie, observatie (camera’s, observatieteams) enzovoort.

Daarnaast kreeg een onafhankelijke groep criminologen, de professoren
Fijnaut, Bovenkerk, Bruinsma en Van de Bunt, de opdracht om een diepgravende
analyse te maken van de aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit
in Nederland (Fijnaut e.a., 1996).

In haar eindrapport concludeerde de Commissie-Van Traa dat het IRT Noord-
Holland/Utrecht onder regie van politie en justitie grote partijen drugs had doorgelaten,
teneinde een informant – die de winsten van zijn handel mocht behouden
– te laten ‘doorgroeien’ tot in de top van een criminele organisatie. Deze methode
werd beschouwd als een groot gevaar voor de integriteit van de rechtshand having, 122 Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2
omdat aan het eind van de rit niet duidelijk was of politie en justitie de informanten
‘runden’ of andersom.

De commissie sprak van een drievoudige crisis in de opsporing: ontbrekende
normen voor het gebruik van opsporingsmethoden, een organisatiecrisis (veel
betrokken organisaties, onduidelijke verdeling van verantwoordelijkheden,
gebrekkige coördinatie) en een gezagscrisis (gezag en sturing van het Openbaar
Ministerie bij de opsporing). Naar aanleiding van deze conclusies zijn velerlei
maatregelen getroff en (zie o.a. Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden,
1999). Vergeleken met de jaren negentig is vooral infi ltratie, in het bijzonder
het gebruik van (criminele) burgers in de opsporing, verregaand beperkt en gereguleerd
(Beijer e.a., 2004; Kleemans, in press).

Nederland is overigens volstrekt niet uniek in het ‘ontdekken’ van het probleem
van georganiseerde criminaliteit en de integriteitsrisico’s die kleven aan bepaalde,
veelal uit de VS overgewaaide bestrijdingsmethoden. Fijnaut en Paoli (2004) tonen
aan dat ook in veel andere Europese landen dit onderwerp in de jaren negentig
een prominente plaats heeft gekregen op de politieke agenda, alleen in Italië was
het al veel eerder onderwerp van publieke discussie. Ook schandalen rond de
bestrijding van georganiseerde criminaliteit zijn niet uniek voor Nederland. Zo
werden in België in 1982 commandant Léon Francois en enkele andere leden van
het Nationaal Bureau voor Drugs (NBD) van de toenmalige Rijkswacht veroordeeld
voor wanpraktijken, waaronder niet-reglementaire leveringen van honderden
kilo’s hasj en het met bedrieglijke opzet vervalsen of vernietigen van nota’s
en documenten (Fijnaut, 1983; Raes, 1983). Tevens kwam begin jaren negentig
Francois Reyniers, het toenmalige hoofd van de Gerechtelijke Politie in Brussel,
in opspraak. Ook hierbij was sprake van ongeoorloofde opsporingsmethoden

(Decorte & Van Laethem, 1997).

Het rapport van de onderzoeksgroep-Fijnaut zette midden jaren negentig de
omvang en de rol van Nederland bij de (internationale) drugshandel voluit op de
kaart. Hoewel ook werd geconcludeerd dat autochtone groepen volop actief waren
in de internationale cannabishandel en de productie van synthetische drugs
(Fijnaut e.a., 1996), ontstond vooral veel commotie over de grote betrokkenheid
van bepaalde etnische minderheidsgroepen bij de drugshandel.

Deze conclusie is in vervolgonderzoek in een breder perspectief geplaatst (Kleemans
e.a., 1998; 2002). In de eerste plaats is gewezen op de rol van sociale relaties
en sociale gelegenheidsstructuren. Het is een historisch toeval dat veel immigranten
afkomstig zijn uit Turkije, Marokko, Suriname en de Nederlandse Antillen,
landen die zich hebben ontwikkeld tot belangrijke bron- en doorvoerlanden
van drugs voor de Europese markt. De sociale bindingen, die door migratie tussen
Nederland en de moederlanden zijn ontstaan, bieden een vruchtbare voedingsbodem
voor internationale drugshandel. Deze sociale gelegenheidsstructuren zijn
zowel voor allochtone als voor autochtone daders van belang.

In de tweede plaats is duidelijk geworden dat georganiseerde misdaad niet volledig
langs etnische scheidslijnen moet worden ingedeeld. Niet etniciteit vormt de basis
van criminele samenwerkingsverbanden, maar de sociale relaties tussen personen.

Sociale relaties worden wel beïnvloed door etniciteit, maar beperken zich niet tot

Dirk J. Korf, Edward Kleemans, Tom Decorte en Tim Boekhout van Solinge

Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2 123

Drugs en drugshandel in Nederland en België

de eigen etnische groep, zeker niet als daders al langere tijd in een bepaald land
woonachtig zijn. Ook het feit dat internationale drugshandel gebaat is bij contacten
in andere landen en in andere etnische groepen draagt bij aan interetnische
samenwerking en ‘etnische integratie’ in de georganiseerde criminaliteit.

Naast de sociale is ook de fysieke gelegenheidsstructuur van belang voor internationale
drugshandel. Grote havens (Rotterdam, Antwerpen) en een grote luchthaven
zoals Schiphol, alsmede de bijbehorende infrastructuur ten behoeve van de
doorvoer van goederen, zijn van groot belang voor de internationale drugshandel.

Deze ontleent zijn winstgevendheid immers vooral aan het transitkarakter.

Zo is de groothandelsprijs van cocaïne in Nederland het tienvoudige van die in
Colombia (Zaitch, 2002). Ook het exporteren van cocaïne vanuit Nederland naar
andere Europese landen kan door substantiële prijsverschillen nog zeer lucratief
zijn (Farrell e.a., 1996; Farrell, 1998). Hetzelfde geldt voor het exporteren van
synthetische drugs naar andere Europese landen, de Verenigde Staten, Australië,
Nieuw Zeeland en Japan (Van de Bunt e.a., 2003; KLPD, 2005).

Terugblikkend naar twintig jaar geleden en met de wijsheid achteraf kan men
constateren dat de winstgevendheid van de (internationale) drugshandel een
aspect van het drugsprobleem is dat door velen volstrekt is onderschat. Dat geldt
voor het commercieel uitbaten van cannabis door de onverwachte opkomst van
commerciële coff eeshops, de transnationale cannabishandel en de grootschalige
binnenlandse teelt van cannabis (Decorte en Boekhout van Solinge), maar ook
voor de internationale heroïnesmokkel (De Vries) en de productie en export van
synthetische drugs (Neve en Van Ooyen-Houben).

Het strafrechtelijk systeem

Het aantal gedetineerden in Nederland is de afgelopen decennia drastisch toegenomen
tot zo’n 17.000 gemiddeld per dag, vijf keer zoveel als in 1975. Momenteel
zijn er meer gedetineerden voor opiumwetdelicten dan indertijd voor alle delicten
tezamen.

Drugsdelicten drukken een steeds zwaarder stempel op alle fasen van het strafrechtelijk
proces. Tussen 2000 en 2004 is het aantal verdachten van opiumwetdelicten
verdubbeld (voor Politie en Koninklijke Marechaussee tezamen van ca.
11.000 naar 21.500; zie fi guur 1). Met bijna 9.000 waren er in 2004 ruim 2,5
keer zo veel softdrugsverdachten als in 2000. Die toename komt vooral voor rekening
van henneptelers. Het aantal harddrugsverdachten verdubbelde naar ruim
11.000 in 2004, met name door arrestatie van ‘bolletjesslikkers’ (Blom).2 In beide
gevallen gaat het overwegend, ruim 80 procent, om mannelijke verdachten. Hoewel
een klein deel van de verdachten al tientallen keren is gearresteerd, is bijna
de helft fi rst off ender. Slechts 3 procent is minderjarig, de meeste verdachten zijn
tussen de 18 en 44 jaar (NDM, 2006).

Aan het eind van de strafrechtsketen wordt ongeveer één op de vijf opiumwetverdachten
veroordeeld tot een vrijheidsstraf; in 2004 bijna 4.700 personen (NDM,
2006). De kans op een vrijheidsstraf is bij drugsdelicten aanmerkelijk groter
dan in het algemeen. In 2004 werd 6 procent van de verdachten aangehouden in
2 Blom komt tot vergelijkbare conclusies op basis van andere gegevens en andere teleenheden.

124 Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2

verband met overtreding van de Opiumwet, terwijl 13 procent van de vrijheidsstraff
en en zelfs 24 procent van de detentiejaren betrekking had op die wet. De
straff en zijn dan ook langer (gemiddeld 12 maanden).

Daarbij is er wel een fors verschil tussen soft- en harddrugs. Bij de politie, afdoeningen
door het OM en de rechter in eerste aanleg gaat het bij ongeveer twee derde
van de opiumwetzaken om harddrugs (soms samen met softdrugs), maar bij de
vrijheidsstraff en is dit ruim 90 procent. Van de sofdrugszaken in 2004 bij het OM
eindigde 5 procent in een vrijheidsstraf, tegenover 31 procent van de harddrugszaken.

Hierbij moet nog verdisconteerd worden dat in 2004 relatief veel, 11 procent,
harddrugszaken werden afgedaan met een beleidssepot, drie tot vier keer zo vaak
als in voorgaande jaren, als gevolg van het heenzenden van ‘bolletjesslikkers’.

Bij elkaar genomen is tegenwoordig ongeveer een kwart van de bevolking in
Nederlandse penitentiaire inrichtingen gedetineerd vanwege drugsdelicten. Daar
is bijvoorbeeld de omvangrijke ‘verwervingscriminaliteit’ om aan geld voor drugs
te komen nog niet in meegerekend.

Voor België bestaan niet zulke systematische en gedetailleerde gegevens. Bij vergelijking
met de Nederlandse cijfers dient men te bedenken dat er in Nederland
ruim anderhalf keer zoveel mensen wonen (16.3 versus 10.3 miljoen). In België
daalde de afgelopen jaren volgens de Geïntegreerde Interpolitiële Criminaliteitsstatistieken
/ Politiële Criminaliteitstatistieken het aantal geregistreerde drugsmisdrijven
waarvoor een proces-verbaal werd opgesteld. Dat leek vooral toe te
schrijven aan een forse daling in het aantal processen-verbaal voor gebruik.

Een secundaire analyse door de Cel Drugs van de Federale Politie geeft echter
een geheel ander beeld, als we de aantallen geverbaliseerde individuele personen
bekijken. In 2002 waren er ruim 17.000 verdachten van cannabisdelicten, in 2004
was dit met een derde gestegen, naar ruim 23.000. Voor misdrijven met betrekking
tot cocaïne en heroïne was de stijging bijna 80 procent, van nog geen 4.000
naar bijna 7.000. Er is dus een duidelijke overeenkomst met Nederland, waar
zowel bij soft- als harddrugs het aantal verdachten ook is toegenomen. Maar het
aandeel softdrugsverdachten is veel groter in België, ruwweg twee derde versus
een derde in Nederland. Ook het totale aantal verdachten van drugsdelicten is
er groter, zowel relatief, ruim twee keer zoveel, als absoluut. Gemeenschappelijk
is wel weer dat ook in België de overgrote meerderheid van de drugsverdachten

Dirk J. Korf, Edward Kleemans, Tom Decorte en Tim Boekhout van Solinge

Figuur 1: Verdachten opiumwetdelicten in Nederland (2000-2004)

0

5.000

10.000

15.000

20.000

25.000

2000 2001 2002 2003 2004

Overig/Onbekend

Hard

Beide

Soft

Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2 125

Drugs en drugshandel in Nederland en België
mannelijk is (91 procent bij cannabis, en 86 procent bij cocaïne en heroïne).

Over de verdere gang door de strafrechtsketen in België is weinig cijfermateriaal
voorhanden. Volgens cijfers van de Dienst Strafrechtelijk Beleid (www.dsb-spc.be) werden zowel in 2000 als in 2003 circa 4.000 personen veroordeeld voor misdrijven
in verband met verdovende middelen.

De rol van beleid

Was in 1984 in Nederland legalisering misschien een reëel toekomstperspectief, nu
lijkt het beleid in toenemende mate repressief en lijken de marges voor een internationaal
afwijkend drugsbeleid steeds kleiner te worden (Blom). Of is het toch zo
dat het Nederlandse drugsbeleid op hoofdlijnen niet is veranderd (Van der Stel)?

Los hiervan is er de belangrijke vraag naar de eff ecten van het drugsbeleid op
de drugsmarkt. Het eerder geschetste internationale proces van normalisering
van cannabisgebruik lijkt te wijzen op relatief autonome sociale processen. In
verschillende artikelen in dit themanummer worden vraagtekens gezet bij de feitelijke
invloed van beleid op de illegale drugsmarkt. Decorte en Boekhout van
Solinge concluderen dat in België, ondanks grote verschillen in beleid en discours
met Nederland, cannabisgebruik eveneens is genormaliseerd. Maar tegelijkertijd
stellen zij dat de verschuiving van (geïmporteerde) hasj naar (in eigen land
gekweekte) marihuana wellicht mede het resultaat is van de bestrijding van de
grootschalige hasjsmokkel. Of is hier ook sprake van tamelijk autonome processen,
die zich eveneens in andere landen voordoen? Neve en Van Ooyen bespreken
verschillende mogelijke resultaten van het XTC-beleid, maar vragen zich wel af of
de recente daling in XTC-gebruik wel echt samenhangt met het gevoerde beleid.

Er is dus nog maar weinig met zekerheid bekend over de relatie tussen beleid en
beoogde of niet-beoogde eff ecten op gebruik en handel. Blom schetst de evolutie
naar repressievere strategieën vanuit het streven naar harmonisering binnen de
EU. Misschien draagt dat bij tot het verminderen van de internationale productie
en handel, maar ook tot het stimuleren van de handel en productie in lokaal produceerbare
roesmiddelen. Voorlopig zijn dat vooral cannabis en XTC, maar wie
weet wat ons nog te wachten staat? Gaan drugshandelaren, om de risico’s van
internationale transporten te reduceren, zich meer richten op wat lokaal te realiseren
is? Ook de bestrijding van drugstoerisme en de wens van de diverse staten
om geen of zo weinig mogelijk (over)last te ondervinden van het beleid in de buurstaten
zou lokale drugseconomieën verder kunnen stimuleren. Om beoogde en
niet-beoogde beleidseff ecten beter te kunnen beoordelen, zouden we dus eigenlijk
meer moeten weten over de eff ecten van specifi eke beleidsmaatregelen op het
gedrag van drugsgebruikers en/of drugshandelaren.

Alle ontwikkelingen ten spijt valt op dat elk drugsbeleid blijft worstelen met
inconsistenties en dubbelzinnigheden. In Nederland de voordeur/achterdeur-discussie,
in België de eigen versie van gedogen. Daarnaast is er zowel in Nederland
als in België de aanhoudende frictie tussen enerzijds een volksgezondheidsprobleem
op het niveau van gebruikers en anderzijds allerlei strafrechtelijke interventies,
ook naar gebruikers toe (zie bijvoorbeeld ook: Joldersma, 1993).

126 Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2

Drugsbeleid is sterk gevoelig voor kortetermijntrends. Dit vertaalt zich vaak in
praktijkgericht onderzoek, dat vooral beleidsondersteunend of -evaluatief van
aard is en veel minder fundamenteel, kennisgericht en op langere termijn. Uit
bijna alle artikelen in dit themanummer blijkt dat de gevoerde discoursen (wetenschappelijk,
politiek, maatschappelijk) nog steeds grotendeels gevoed worden
door data en inzichten die zijn gebaseerd op indirecte indicatoren en de meest
zichtbare groepen. Dat betreft wat de politie ontdekt of waar zij haar aandacht op
richt en diegenen die de hulpverlening bereikt of die in de armen van de hulpverlening
worden gedreven.

Th eorie en onderzoek

Wat weten we nu eigenlijk en op welke thema’s zou toekomstig onderzoek zich
moeten richten? Het onderzoeksveld overziend, valt op dat veel drugsonderzoek
sterk is gericht op het gebruik van drugs en veel minder op de fasen die aan dit
gebruik voorafgaan: productie, import/export en distributie. Ook valt op dat
onderzoek naar middelengebruik erg ‘farmacocentrisch’ wordt ingekleurd.

Vraagstellingen rond middelengebruik en de uitwerking van middelen op lichaam
en geest zijn natuurlijk relevant, maar waarom wordt er niet meer aandacht
besteed aan de levensstijl van gebruikers en de rol die bepaalde drugs daarin spelen?

Waarom wordt er niet meer onderzoek uitgevoerd, en gefi nancierd, zoals dat
van Grapendaal e.a. (1991) naar het dagelijks leven van drugsgebruikers? Dergelijk
fundamenteel empirisch onderzoek bood destijds belangrijke nieuwe inzichten
in de discussie over heroïneverslaving, waarin het verband tussen harddrugsgebruik
en (verwervings)criminaliteit een belangrijke rol speelde. Zo blijken harddrugsgebruik
en criminaliteit op een veel complexere manier samen te hangen
dan de hypothese, dat harddrugsgebruik onvermijdelijk zou leiden tot verwervingscriminaliteit,
doet veronderstellen. Ook blijken verslaafden aan harddrugs
hun gebruik in belangrijke mate aan te passen aan de beschikbaarheid van fi nanciële
middelen en harddrugs (in plaats van andersom): men zet de tering naar de
nering. Ten slotte zijn ook andere inkomstenbronnen dan verwervingscriminaliteit
van belang om harddrugsgebruik te fi nancieren, zoals een uitkering, dealen
en bemiddelen op de drugsmarkt en prostitutie (zie ook Korf, 1990).

Fundamenteel empirisch onderzoek leverde zo dus een belangrijke bijdrage aan
de discussie over het drugsbeleid, ondanks het feit dat destijds de meningen over
het te voeren beleid ver uiteenliepen, van ‘gedwongen afkicken’ tot vrije verstrekking
van heroïne. Ook tegenwoordig lopen de meningen over het te voeren drugsbeleid
nog steeds ver uiteen. Discussies daarover zijn sterk ideologisch geladen,
maar we ontberen vaak informatie over de meest basale vragen over het fenomeen
waarop het beleid zich richt en de processen die zich in de maatschappelijke
werkelijkheid afspelen.

Het veelbesproken Nederlandse coff eeshopbeleid kan hierbij als voorbeeld dienen.

Enerzijds wordt het aantal coff eeshops jaarlijks geteld, wordt twee keer per jaar
het THC-gehalte van cannabisproducten gemeten en worden er zelfs schattingen
gemaakt van het aantal ‘niet gedoogde verkooppunten’. Maar wat weten we eigenlijk
van de rol die cannabis en andere middelen spelen in het leven van middelbare

Dirk J. Korf, Edward Kleemans, Tom Decorte en Tim Boekhout van Solinge

Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2 127

Drugs en drugshandel in Nederland en België

scholieren? Welke rol speelt middelengebruik in het leven van risicogroepen? Hoe
ziet de levensloop eruit van niet-gebruikers, incidentele gebruikers en regelmatige
gebruikers, en welke rol speelt middelengebruik daarbij? Hoe bevoorraden
coff eeshops zich? En hoe georganiseerd en grootschalig is de binnenlandse cannabisteelt?

Hoewel er over al deze vragen wel het een en ander bekend is, lijkt er
toch sprake van een zekere onbalans in de kennisopbouw.

Dat geldt ook voor vragen omtrent productie, import/export en distributie. Welke
processen en factoren spelen een rol op illegale markten? Zo weten we dat Nederland
en België een prominente rol spelen bij de productie van synthetische drugs.

Maar wat weten we eigenlijk van de opkomst en ontwikkeling van deze productie
en de factoren die daarbij een rol spelen? Hoe zitten (trans)nationale criminele
samenwerkingsverbanden in elkaar? Welke factoren spelen een rol in de internationale
XTC-handel? Hoe reageren daders op overheidsmaatregelen in het algemeen,
en op opsporing en vervolging in het bijzonder?

Bij dergelijk onderzoek naar productie, import/export en distributie van drugs
lijkt de nationale context steeds minder van belang. Bij de import van cocaïne
in Europa draait het vooral om grote havens in onder meer Spanje, Nederland
(Rotterdam) en België (Antwerpen); de nationale grenzen binnen de EU, bijvoorbeeld
tussen Nederland en België, vallen daarbij in het niet. Wel van belang is
bijvoorbeeld de fysieke barrière die de Noordzee vormt voor de doorvoer van verschillende
soorten drugs naar het Verenigd Koninkrijk. Ook bij de productie van
synthetische drugs in Nederland en België is het maar de vraag hoe belangrijk
nationale grenzen zijn. Is het wel zo aannemelijk om verschijnselen meteen in de
context van ‘verschuiving’ te gaan duiden, zonder ons af te vragen wat we eigenlijk
weten over grensoverschrijdende contacten uit de tijd waarin ook in Nederland
daders nog weinig te duchten hadden van de opsporing?

Nieuwe inzichten kunnen niet alleen ontstaan door andere vraagstellingen, maar
ook door meer gebruik te maken van andere onderzoeksmethoden en databronnen.

Er is immers meer onder de zon dan medisch-klinisch onderzoek, surveys
onder middelbare scholieren en het analyseren van registratiegegevens. Zo heeft
het etnografi sch onderzoek van Coumans (2006) belangrijke inzichten opgeleverd
over de verharding van het drugsbestaan en voortgaande en versterkte
marginalisering door crack. Etnografi sche methoden kunnen echter niet alleen
worden toegepast op moeilijk, maar ook op gemakkelijk bereikbare groepen, zoals
middelbare scholieren. Hoe komen jongeren bijvoorbeeld aan cannabis zonder
coff eeshop? Etnografi sch onderzoek levert bijvoorbeeld verrassende inzichten op
over beleidsmaatregelen, zoals het verhogen van de leeftijdsgrens bij coff eeshops

(Korf e.a., 2005).

Naast herwaardering van gedegen ‘klassiek’ etnografi sch onderzoek naar de
dynamiek van de drugshandel zou er meer aandacht moeten zijn voor de rijke
databronnen van de grote, in zekere zin ook ‘etnografi sche’ rechercheteams die
grootschalige opsporingsonderzoeken uitvoeren naar vormen van georganiseerde
criminaliteit. Dergelijke onderzoeken leveren een zeer gedetailleerd beeld op van
de dagelijkse handel en wandel van daders en hun sociale omgeving: letterlijk uitgewerkte
verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken, conversaties in auto’s,

128 Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2

cafés en woningen, waarnemingen door observatieteams en video camera’s, onderschepte
brieven en e-mails, gesprekken met getuigen, verhoren van verdachten,
enzovoort. Deze authentieke en rijke databronnen hebben ongetwijfeld ook hun
beperkingen, maar geldt dit niet voor elke onderzoeksmethode?

Onderzoek naar drugsgebruik en drugshandel is in zekere zin een onderzoeksterrein,
waar de kuddes zeer selectief grazen. Met dit themanummer hopen wij
een aanzet te geven tot het betreden van nieuwe domeinen.

Literatuur

Abraham, M.D., Kaal, H.L. & Cohen, P.D.A. (2002). Licit and illicit drug use in the Netherlands,
2001. Amsterdam: Cedro/Mets & Schilt.

Beijer, A., Bokhorst, R.J., Boone, M., Brants, C.H. & Lindeman, J.M.W. (2004). De Wet bijzondere
opsporingsbevoegdheden – eindevaluatie. Den Haag: Boom Juridische uitgevers.

Bieleman, B., Goeree, P. & Naayer, H. (2005). Coff eeshops in Nederland 2004. Groningen:
Intraval.

Boekhout van Solinge, T. (2001). Op de pof. Cocaïnegebruik en gezondheid op straat.

Amsterdam: Rozenberg/Mainline.

Brussel, G.H.A. van & Buster, M.C.A. (2005). OGGZ monitor Amsterdam 2002-2004.

Amsterdam: GGD.

Bunt, H.G. van de (2006). Hoe stevig zijn de fundamenten van het cannabisbeleid?

Justitiële verkenningen, 32(1), 10-23.

Bunt, H. van de, Kunst, D. & Siegel, D. (2003). XTC over de grens: Een studie naar XTCkoeriers
en kleine smokkelaars. Den Haag: Boom Juridische uitgevers.

Cohen, P., Janssen, O.J.A., Bunt, H. van de & Leuw, E. (red.) (1984). Heroïne, criminaliteit
en sociale reacties, Tijdschrift voor Criminologie, 26(2).

Cohen, P. (1989). Cocaine use in Amsterdam in non-deviant subcultures. Amsterdam: UvA,

Instituut voor Sociale Geografi e.
Cohen, P. & Sas, A. (1995). Cocaine use in Amsterdam II. Amsterdam: UvA, Instituut voor
Sociale Geografi e.

Coumans, A.M. (2006). Survival on the fringes of society. Marginalisation of and hardening
among chronic heroin users (diss. Universiteit Maastricht).

Decorte, T. (2000). Th e taming of cocaine. Brussel: VUB Press.

Decorte, T. & Slock, S. (2004). Th e taming of cocaine II. Brussel: VUB Press.

Decorte, T. & Van Laethem, W. (1997). Grijze politie. Verklaringen voor problematische
publiek-private interacties in de zaak-Reyniers. Brussel: Uitgeverij Politeia.

Dorn, N., Levi, M. & King, L. (2005). Literature Review on Upper Level Drug Traffi cking.

London: Home Offi ce (Home Offi ce Online Report 22/05).

Duff , C. (2003). Drugs and youth cultures: is Australia experiencing the ‘normalization’ of
adolescent drug use? Journal of Youth Studies, 6(4), 433-446.

EMCDDA (2004). Th e state of the drugs problem in the European Union and Norway. Annual
Report 2004. Lisbon: European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction.

Farrell, G. (1998). Routine Activities and Drug Traffi cking: Th e Case of the Netherlands,
International Journal of Drug Policy 9(1), 21-32.

Farrell, G., Mansur K. & Tullis, M. (1996). Cocaine and heroin in Europe 1983-93: A crossnational
comparison of traffi cking and prices, Th e British Journal of Criminology 36(2),
255-281.

Fijnaut, C. (1983). De zaak Francois. Beschouwingen naar aanleiding van het vonnis.

Antwerpen: Kluwer.

Dirk J. Korf, Edward Kleemans, Tom Decorte en Tim Boekhout van Solinge

Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2 129

Drugs en drugshandel in Nederland en België

Fijnaut, C., Bovenkerk, F., Bruinsma, G. & Bunt, H. van de (1996). Inzake opsporing: Enquête
opsporingsmethoden, Bijlage VII: Eindrapport onderzoeksgroep Fijnaut. Den Haag: Sdu
Uitgevers.

Fijnaut, C. & Paoli, L. (2004). Organised Crime in Europe: Concepts, Patterns and Control

Policies in the European Union and Beyond. Dordrecht: Springer.

Gisle, L., Buziarsist, J., Van der Heyden, J. e.a. (2002). Gezondheidsenquête door middel van

Interview (HIS), België, 2001. Brussel: Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid.

Grapendaal, M., Leuw, E. & Nelen, J.M. (1991). De economie van het drugsbestaan.

Criminaliteit als expressie van levensstijl en loopbaan. Arnhem: Gouda Quint.

Grüter, P. & Mheen, D. van de (2005). Cocaïnehandel in Nederland. Rotterdam: IVO.

Huisman, S. (2005). Criminaliteitsbeeldanalyse Synthetische drugs 2002-2004. Driebergen:
KLPD.

Joldersma, F. (1993). De levensloop van problemen en beleid rond alcohol en drugs (diss.
Enschede: Faculteit Bestuurskunde, Universiteit Twente).

Kleemans, E.R. (in press). Organized crime, transit crime and racketeering. In: M. Tonry &
C.J. Bijleveld (eds.). Crime and Justice in the Netherlands. Crime and Justice. A Review
of Research. Volume 35. Chicago: University of Chicago Press.

Kleemans, E.R., Berg, E.A.I.M. van den & Bunt, H.G. van de (1998). Georganiseerde
criminaliteit in Nederland: Rapportage op basis van de WODC-monitor. Den Haag:
WODC.

Kleemans, E.R., Brienen, M.E.I. & Bunt, H.G. van de (2002). Georganiseerde criminaliteit in
Nederland: Tweede rapportage op basis van de WODC-monitor. Den Haag: WODC.

Korf, D.J. (1987). Heroïnetoerisme II. Amsterdam: UvA, Instituut voor Sociale Geografi e.

Korf, D.J. (1990). Jatten alle junkies? Criminaliteit en drugsgebruik in Nederland,
Tijdschrift voor Criminologie, 32(2), 105-123.

Korf, D.J. (1995). Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands.
Amsterdam: Th ela Th esis.

Korf, D.J. (2006). De normalisering van cannabisgebruik. Justitiële verkenningen, 32(1),

61-71.

Korf, D.J., Biemond, R. & Jellema, R. (1994). Prijs en kwaliteit van illegale drugs in Amsterdam.

Amsterdam: UvA, Bonger Instituut voor Criminologie.

Korf, D.J., Nabben, T. & Benschop, A. (2004). Antenne 2003. Trends in alcohol, tabak en drugs
bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg

Korf, D.J. & Verbraeck, H.T. (1993). Dealers en dienders. Amsterdam: UvA, Bonger Instituut
voor Criminologie.

Korf, D.J., Wouters, M., Nabben, T. & Ginkel, P. van (2005). Cannabis zonder coff eeshops.

Amsterdam: Rozenberg.

Maalsté, N., Jansen, I., van Fessem, E. & Mein, A. (2002). De noodvoorzieningen voor
drugskoeriers. Den Haag: ES&E.

Monshouwer, K., Dorsselaer, S. van, Gorter, A., Verdurmen, J. & Vollebergh, W. (2004).

Jeugd en riskant gedrag. Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek 2003. Utrecht:
Trimbos-instituut.

Nabben, T. & Korf, D.J. (1999). Cocaine and crack in Amsterdam: Diverging subcultures.

Journal of Drug Issues, 29(3), 627-651.

Nabben, T. & Korf, D.J. (2000). Ketamine. Amsterdam: Th ela Th esis.

Nabben, T., Benschop, A. & Korf, D.J. (2005a). Antenne 2004. Trends in alcohol, tabak en
drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg.

Nabben, T., Quaak, L. & Korf, D.J. (2005b). NL.Trendwatch 2004-2005. Gebruikersmarkt
uitgaansdrugs in Nederland. Amsterdam: Rozenberg.

NDM (2005). Nationale Drug Monitor. Jaarbericht 2004. Utrecht: Trimbos-instituut.

130 Tijdschrift voor Criminologie 2006 (48) 2

NDM (2006). Nationale Drug Monitor. Jaarbericht 2005. Utrecht: Trimbos-instituut.

Parker, H., Aldridge, J. & Measham, F. (1998). Illegal leisure the normalization of adolescent
recreational drug use. London: Routledge.

PEO (Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden) (1996). Inzake opsporing;
enquête opsporingsmethoden. Den Haag: Sdu Uitgevers.

Raes, F. (1983). Rijkswachter als Don Quichot. Een B.O.B.’er op speurtocht bij het Nationaal
Bureau voor Drugs. Berchem: EPO.

Sartor, F., Walckiers, D., Sasse, A & Bils, L. (2001). Estimate of prevalence of injecting drug
use in Belgium. Archives of Public Health, 59, 63-75.

Shiner, M. & Newburn, T. (1997). Defi nitely, maybe not: the normalisation of recreational
drug use amongst young people. Sociology, 31(3), 1-19.

Sleiman, S. (2004). Belgian national report on drugs 2004. Brussel: Scientifi c Institute of
Public Health.

Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden (1999). Opsporing in uitvoering.

Rapport van de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden. Tweede Kamer,
vergaderjaar 1998-1999, 26 269, nrs. 4-5. Den Haag: Sdu Uitgevers.

Van Havere, T., De Donder, E., DeVriendt, W., Geirnaert, M., Rosiers, J. & Schrooten,
J. (2004). Partywise: een kwalitatief onderzoek naar trends in druggebruik in het
uitgaansleven. Brussel: VAD.

Zaitch, D. (2002). Traffi cking cocaine: Colombian drug entrepreneurs in the Netherlands. Den
Haag: Kluwer Law International.

Dirk J. Korf, Edward Kleemans, Tom Decorte en Tim Boekhout van Solinge

Thema's van dit artikel

Andere artikels met hetzelfde thema

Laatste update

De openbare ruimte: het verantwoord delen, de uitdagingen en de lokale antwoorden, Studiedag van het Belgisch Forum voor Preventie en Veiligheid in de Steden, 7/6/2018, Namen
7 juni 2018

U bent van harte welkom op de tweede nationale bijeenkomst van het Belgisch Forum over het (...)...

Thema's

Agenda

18
09
2018


13
09
2018


13
06
2018