Belgisch Forum voor Preventie en Veiligheid in de Steden

Thema’s

De toekomst van de PVC - nota aan de Minister van Binnenlandse Zaken (maart 2004)

BELGISCH FORUM VOOR PREVENTIE EN VEILIGHEID IN DE STEDEN

BESTEK TE RICHTEN AAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN BETREFFENDE DE TOEKOMST VAN DE VEILIGHEIDS- EN PREVENTIE CONTRACTEN

Het lijdt geen enkele twijfel dat de veiligheidscontracten steeds hebben beantwoord aan een essentiële noodzaak. Tegenwoordig zijn ze zonder twijfel een hoofdelement van het beleid gevoerd door de gemeenten die er het genot van hebben en stellen deze in staat een reëel gemeentelijk preventiebeleid te voeren van sociale preventie en gelegenheidspreventie, aanvullend bij, doch tevens onderscheiden van de benadering van de politie (en de zone) voor wat betreft preventie en veiligheid.

Momenteel hebben 73 steden en gemeenten het genot van een contract voor veiligheid en preventie. De vervaldatum van de huidige contracten is vastgesteld op 31 december 2004.

In het vooruitzicht van de onderhandelingen over de contracten 2005-2006 (en volgende jaren), die vanaf september dienen aangevat, is het BFPVS van zin aan de Minister van Binnenlandse Zaken een reeks aanbevelingen te bezorgen die de toekomst van de Contracten voor Veiligheid en Preventie zouden kunnen veilig stellen.

1. Doelstellingen en inhoud van de Veiligheid- en Preventie Contracten

De Federale Regering heeft haar wil kenbaar gemaakt om de contracten voor veiligheid en preventie te verlengen voor het jaar 2004 en, vanaf 2005, duurzame doelstellingen voor preventie in te voeren in het plaatselijke beleid voor veiligheid en preventie.

Zij heeft trouwens de te volgen doelstellingen “geschetst”, uiteraard met referte naar:
- het federale veiligheidsplan
- de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken

Er rijzen verschillende vragen op diverse vlakken.

1. De refertes bevoorrecht door de Minister van Binnenlandse Zaken (in termen van doelstellingen of van « velden » die dienen gedekt door de projecten gefinancierd door de Federale staat) lopen het gevaar hoofdzakelijk gericht te zijn op de gelegenheidspreventie en de beveiliging, de technopreventie,…
Dit betekent dat de gemeenten ertoe zouden gebracht worden bijna alleen te werken rond de symptomen en niet rond de oorzaken, namelijk sociale, van de onveiligheid en het onveiligheidgevoel.

Nochtans leert de ervaring ons:

- dat we de voorkeur dienen te geven aan een geïntegreerd en integraal beleid, dat zowel inwerkt op de oorzaken van deze verschijnselen als op de symptomatische gevolgen ervan;
- dat de vroegtijdige preventie, dit wil zeggen deze die inwerkt op de diepere oorzaken, duurzame resultaten afwerpt en hierdoor veel minder kost dan een gewoon “pompierbeleid” (werken met haast, gewone verschuiving van de problemen, geen blijvende gevolgen);
- dat bij de planning en de actie alle medewerkers van de “productieketen van de preventie en de veiligheid” dienen betrokken te worden.

2. Deze bekrompen “schetsen” riskeren een gevaar te betekenen voor de verworvenheden en de projecten ontwikkeld op verschillende gebieden, dikwijls op een geïntegreerde en transversale wijze:

- De drugplannen mondden uit in het oprichten van doeltreffende voorzieningen die een bijzondere plaats innemen in het dienstenaanbod en die er nu goed zijn in opgenomen; hun ontmanteling zou een zware fout zijn en een grote stap terug in de strijd tegen de drugverslaving, de risico’s en de schade ervan;
- de projecten van sociale preventie (straatopvoeders, wijkhuizen, sociaalopvoedkundige projecten, …) hebben, in tien jaar tijd, “een plaats verworven” tussen de preventieve operatoren en vormen dikwijls de schakelfunctie tussen de traditioneel weinig coöperatieve sectoren (sociaal hulpbetoon, politie, gerecht, school,…).

3. Hoe zouden de verschillende vernieuwende projecten zich kunnen ontwikkelen die de steden wensen, zoals:
- de effectieve oprichting van plaatselijke veiligheidsobservatoria en uitvoering van Plaatselijke Veiligheidsdiagnoses die verder gaan dan alleen de inbreng van de criminaliteitsstatistiek, ook al is deze uitgewerkt;
- de versterking van de vertrouwensrelaties en de wederzijdse eerbied tussen enerzijds de sectoren van het sociale hulpbetoon, de maatschappelijke preventie, het gezondheidswezen,… en anderzijds de sector politie/gerecht.

2. Besluit van de VPC voor een duur van 6 jaar, geïnspireerd door de gemeentelijke zittingsduur

De regeringsnota maakt melding van de ontwikkeling van een preventiebeleid op lange termijn en, in dit geval, van de ondertekening van veiligheid- en preventie contracten voor een duur van drie jaar (2005-2006 eerst en daarna driejaarlijks voor de toekomst).

Het is met een zekere opluchting dat we vernamen dat de regering de contracten zo wil verlengen, wat ten volle overeenstemt met de wens die we hebben geformuleerd ter attentie van de Informateur en de Formateur van de regering in juni 2003.

De beperkte duur van de contracten heeft immers een aanzienlijke kentering teweeggebracht bij het personeel dat de contracten niet kan beschouwen als een mogelijkheid tot een stabiele tewerkstelling op lange termijn.

Er zijn inderdaad meer dan 2300 contractuelen tewerkgesteld in het kader van de contracten voorveiligheid en preventie in België. In het verleden hebben deze medewerkers de grootste onzekerheid gekend over de toekomst van hun betrekking, wat deze mensen op persoonlijk vlak kwetsbaar maakte en de opgerichte voorzieningen en projecten “ondermijnde” (meerdere malen dienden gemeenten een vooropzeg te geven tot bewaring van hun rechten! ! !).

Zo ook worden doelmatige en veelbelovende projecten regelmatig bedreigd te verdwijnen, wat periodiek een reeks overlegvergaderingen en plaatselijke partnerships in gevaar brengt.

Het is dus absoluut noodzakelijk te vermijden dat deze periode van onzekerheid zich elk jaar herhaalt.

Het zou bijgevolg nuttig zijn een stabiel wettelijk kader te geven aan deze contracten, wat de gemeenten in staat stelt een deel van de betrekkingen van de contracten (zoniet alle) stabiel te maken, namelijk deze van omkadering, die het voortbestaan van de contracten en de kapitalisatie van de bekwaamheden en de ervaring waarborgen.
Anderzijds belet de verlenging van de duur van de contracten helemaal niet de tussentijdse en regelmatige evaluaties van de projecten te behouden (de VPC’s maken trouwens deel uit van de meest geëvalueerde, zowel extern als intern, federale en gewestelijke programma’s).

De volgende typekalender zou kunnen toegepast worden:

- elke zes jaar afsluiten van een Kadercontract voor Veiligheid en Preventie;
- iedere 3 jaar nieuwe onderhandelingen om de projecten aan te passen
- mogelijkheid om op elk moment bijvoegsels op te stellen in het kader van de driejaarlijks vastgestelde middelen;
- programmeren van de onderhandelingen voor de vernieuwing van de VPC’s zes maand voor het einde van hun looptijd (bijvoorbeeld rondschrijven te ontvangen in juni, projecten in te dienen begin september, beslissing in november).
- Voor de afgevoerde of gewijzigde projecten, systeem van progressief “phasing out” (bijvoorbeeld: decreet Plan voor Preventie van de Buurt van het Waalse Gewest).

3. Budgettaire herwaardering van de contracten voor Veiligheid en Preventie

De totale jaarlijkse begroting voor de contracten 2002-2003 bedraagt 33.162.594,35 € (1.337.775.740 BEF), hetzij :
- 7.449.806,05 € (300.524.431 BEF) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,
- 14.407.384,95 € (581.192.468 BEF) in het Vlaamse Gewest,
- 11.305.403,36 € (456.058.841 BEF) in het Waalse Gewest.

De begroting voor de Veiligheid- en Preventie Contracten werd sinds 1999 niet verhoogd. Bijgevolg benutten de gemeenten de totaliteit of de quasi-totaliteit van de begroting toegekend door de Federale Staat om het preventiepersoneel te betalen en zodoende verminderen zij de werking- en actiekosten tot een mondjesmaat. Het personeel blijft dus betaald, doch al te dikwijls zonder middelen tot ontplooiing te hebben of preventieprojecten tot een goed einde te kunnen brengen.

De leden van het Belgisch Forum, gesterkt door deze vaststelling, zijn van oordeel dat het onontbeerlijk is om vanaf 2005 een updating te voorzien van de begroting toegekend aan de contracten, rekening houdend met diverse elementen:

1. de evolutie van de loonkost :
- een preventiebeleid dat duurzame doelstellingen beoogt moet omkaderd worden door vast personeel betaald in functie van zijn verantwoordelijkheden.
Bijgevolg zou er snel een subsidiëringsysteem moeten overwogen worden dat rekening houdt met de evolutie van de lonen, de ervaring opgedaan door de beambten en hun verantwoordelijkheidsniveau (het systeem van het Grootstedenprogramma zou een interessante referte kunnen zijn).
- Een dergelijke stabilisering van de sector zou toelaten verschillende problemen op te lossen die in verband staan met het human ressourcesbeleid: het is absoluut noodzakelijk de kentering van het personeel af te remmen.

2. De verontrustende financiële toestand van de gemeenten belet hen eigen kredieten vrij te maken voor preventiebeleid , en dus de kostenverhogingen ten laste te nemen die, voor het grootste deel, verband houden met de evolutie van de loonmassa; het principe van de jaarlijkse indexering van de kredieten toegekend aan het personeel blijkt ons een te verzekeren minimum; ideaal is, zoals voor het Grootstedenprogramma, de volledige betaling van de werkelijke personeelskosten.

3. De ontwikkeling van nieuwe preventie-initiatieven die noodzakelijk werd gemaakt voor de analyse van de evolutie van de criminaliteit en de misdadigheid, waaronder de specifieke programma’s bestemd voor de zelfstandigen, voor de dokters en voor de gebruikers van de gemeenschappelijke vervoermiddelen en vooral de programma’s voor de strijd tegen de onbeschaafdheden.

4. Herfinanciering van de Drugsplannen

Over het algemeen past het in overeenkomst met het Federaal Plan voor Drugsbeleid de financiering naar boven te herzien voor de voorzieningen in verband met het beheer van de hinder verbonden aan de drugverslaving, de misdaadpreventie en tevens in verband met de drugs en de gezondheidspreventie voor de druggebruikers met de grootste moeilijkheden.

In deze context dient voorrang verleend aan drie pistes, om het versterken van de rol en de verantwoordelijkheid van de plaatselijke medewerkers mogelijk te maken:

- De ontwikkeling van plaatselijke observatoria die het mogelijk maken een snel en afdoend antwoord te bieden op de evolutie van dit verschijnsel;
- de ontwikkeling van plaatselijk overleg en coördinatie om ter plaatse samenhangend en aanvullend antwoord te kunnen bieden;
- de ontwikkeling en de oprichting van voorzieningen voor risicovermindering (nachtonderkomen, straatwerk, spuitenruil, héroïnevoorschriften, beveiligde verbruiksplaatsen) waarvan we, dankzij onderzoeken in het buitenland, weten dat – naast hun weerslag op de gezondheid – hun invloed op de openbare hinder overduidelijk is.

5. Versterking van de plaats van de preventie bij de voorzieningen

Een integrale en geïntegreerde aanpak van de veiligheidsproblematiek impliceert dat alle medewerkers van de “productieketen van de veiligheid” erkend zijn en effectief deelnemen aan de opbouw van het beleid, het instellen en de evaluatie ervan.

Daartoe zou het nuttig zijn:
- dat de Preventieambtenaar van rechtswege effectief lid zou zijn van de Zonale raad voor de Veiligheid;
- dat de Zonale Veiligheidsplannen zouden verplicht zijn in meer belangrijke mate de aspecten van de preventieve projecten te integreren.

6. Administratief en financieel beheer

Om het werk gemakkelijker te maken voor iedereen, daarin begrepen dit van het bestuur van de Minister van Binnenlandse Zaken belast met de controle van de rechtvaardigingsstukken van de uitgaven, zou het passen de modaliteiten voor de administratieve en financiële uitvoering van de Veiligheid- en Preventie Contracten aanzienlijk te versoepelen:
- de tekst van het contract als een referentiekader te beschouwen, dat gemakkelijk kan aangepast worden via een eenvoudig geschreven akkoord (dat geldt als bijvoegsel) van de Minister van Binnenlandse Zaken (of van zijn Bestuur, wat de zaken nog eenvoudiger zou maken);
- meer soepelheid toestaan voor de verschuivingen tussen de begrotingsposten, voor zover het totale krediet niet overschreden wordt.

Anderzijds stelt de opvolging van de rechtvaardigingsstukken door het bestuur een probleem: getuige hiervan zijn de vertragingen in de uitbetaling van de saldi van de jaren 1999, 2000, 2001 en 2002. Het ware te verkiezen dat de kredieten zouden uitbetaald worden op basis van schuldvorderingen van de Steden, met dien verstande dat zij de door hen eventueel niet verschuldigde bedragen terugstorten.

7. Wetenschappelijke omkadering en evaluatie

Er zou een nieuwe evaluatieprocedure voor de VP Contracten moeten opgesteld worden, met de bedoeling de af te leveren verslagen te vereenvoudigen (er zou voorrang moeten gegeven worden aan een praktijk die meer gecentreerd is rond Stuurtabellen) en die de stabilisering beoogt (niet elk jaar van systeem veranderen).

Een typeagenda zou ook eens en voor altijd dienen opgesteld te worden.

Deze elementen zouden moeten vastgesteld worden in partnerschap met de Preventieambtenaren en de interne evaluatieverantwoordelijken waarvan de verworven ervaring, zowel op theoretisch als op praktisch vlak, zeer omvangrijk is.

8. Diversen

8.1. PVA – Activaplan

Het statuut van de P.V.A. – P.W.A. is een systeem in uitdoving vermits de P.V.A.’s die aangeworven werden onder het P.W.A.-statuut sinds 1 januari 2003 niet meer mogen vervangen worden door contractuele P.V.A.’s ACTIVA (normaal arbeidscontract van 38uur/week – Voltijds, halftijds, 1/3de parttime).

De toepassing van het nieuwe systeem zal een sterke vermindering van het aantal werknemers als gevolg hebben vermits de financiële tussenkomst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken zal geschieden binnen een ongewijzigd begrotingskrediet.

De problemen rijzen door de toepassing van het ACTIVAplan zijn dus de volgende:

- gebrek aan flexibiliteit van de arbeidsduur voor sommige projecten (bvb. : PVA school: 17 uren prestatie per week zijn ruimschoots voldoende),

- het halftime en het 1/3de parttime zullen de werknemers niet interesseren.Hun werkloosheidsvergoeding is hoger dan de voorgestelde bezoldiging,

- in sommige gevallen zal de vervanging van de PVA PWA’s door voltijdse PVA’s Activa ertoe nopen bepaalde veelbelovende projecten op te geven bij gebrek aan flexibiliteit (bvb. PVA School te Charleroi).

8.2. programmawet met betrekking tot de fiscale aftrek voor investeringen tot beveiliging van de beroepslokalen – in werking stelling en omkadering

De programmawet van 8 april 2003 brengt het aftrekbare basispercentage voor investeringen gedaan ter beveiliging van beroepslokalen van 3,5 % op 13,5 %. De maatregel wordt van kracht vanaf dienstjaar en betreft de zelfstandigen (natuurlijke personen), de handelaars, de vrije beroepen en de KMO’s opgericht als vennootschap.

De installatie moet eerst worden aanbevolen en daarna erkend door een ambtenaar gelast met de raadgeving voor technologische preventie in de politiezone waar de activiteit wordt uitgeoefend. In de praktijk moet de aanvrager naast het formulier 276U in verband met de aangifte een attest invullen dat afgeleverd wordt door deze ambtenaar die ermede belast is, eerst de uit te voeren werken aan te bevelen, en ze daarna goed te keuren.

Indien men de potentiële aanvragen afweegt tegen het aantal personeelsleden bevoegd voor de opdrachten in verband met de programmawet (aanbevelingen + officiële goedkeuring) blijkt het evident dat de menselijke middelen op deze basis sterk ontoereikend zullen zijn, temeer aangezien de bevoegde werknemers worden opgeëist door andere opdrachten (raadgevingen aan de bevolking, beheer van beveiligingsdossiers, politieopdrachten,…).

Indien men niet wenst dat het gehele systeem zeer snel geblokkeerd weze, is het dringend aan de gemeenten de noodzakelijke menselijke en materiële middelen te verstrekken om opdrachten te vervullen die, normaal gezien, behoren tot het Ministerie van Financiën.

8.3. Aanhechting van de Fan Coachingprojecten bij de Cel Voetbalveiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

De gevolgen, namelijk de financiële, van deze maatregel zouden snel moeten uitgelegd worden.

9. Interministeriële conferentie belast met het beheer van deze transversale materie

Het weer op gang brengen van een interministeriële conferentie (overgenomen van de interministeriële conferentie rond de Stadsvernieuwing uit 1997) schijnt ons eveneens nuttig rekening houdend met het feit dat de projecten van de CVP transversaal zijn (Binnenlandse Zaken, Justitie, Sociale Zaken en Tewerkstelling, Grootstedenbeleid) en dat overleg tussen de gewestelijke en federale subsidiërende machten hiervoor moet kunnen behouden blijven, zoniet opnieuw op gang gebracht.

10. Verwante problemen

10.1. het opleggen van administratieve boetes door de gemeenten

- Het is nodig burgerlijke gemeenteambtenaren te kunnen beëdigen om over te gaan tot het vaststellen van overtredingen.

- Het zou nuttig zijn het Werken voor het Algemeen Belang te voorzien als administratieve sanctie.

- Het is onontbeerlijk de regels te herzien voor de vertegenwoordiging van de gemeenten bij de Justitie, om het de ambtenaar, belast met het opleggen van administratieve boetes, mogelijk te maken zich te kunnen uitdrukken voor de politierechtbank in het kader van beroep ertegen.
Momenteel dient hiervoor een advocaat aangesteld.

- Het is noodzakelijk aan de gemeenten de bijkomende middelen toe te kennen die nodig zijn voor het beheer van deze nieuwe taken. Op dit vlak schijnt niets voorzien te zijn.

10.2. De overlastmanager

- De benadering van het fenomeen van overlast en onbeschaafdheden maakt integraal deel uit van het beleid van preventie en plaatselijke veiligheid, naast de strijd tegen andere verschijnselen zoals het schoolverlaten, de stadsmisdadigheid (diefstallen, fysiek geweld, enz..) of de drugverslaving,…
Het schijnt dus duidelijk dat het beheer van de onbeschaafdheden of de overlast dient gecoördineerd in het kader van het geïntegreerd en integraal plaatselijk beleid van preventie en veiligheid.

- Het verschijnsel van de onbeschaafdheden dient globaal te worden aangepakt en mag niet beperkt worden tot de toekomstige wet over de administratieve boetes; men zal een benadering moeten ontwikkelen op basis van een intersectorieel beleid en meerdere actievelden bestrijken: de netheid (informatie, opvoeding), het beheer van geluidshinder, de ruimtelijke ordening (technische overlastpreventie), bepaald agressief gedrag,… De actie van de politiediensten dient tevens uiterst belangrijk te zijn bij de strijd tegen de onbeschaafdheden (opstellen van PV, preventieve politieaanwezigheid). Het is immers belangrijk, bijvoorbeeld, dat het instellen van administratieve boetes niet gepaard zou gaan met een totale buiten dienst stelling van de politie voor gedragingen die door de wet bedoeld worden.

- Men moet erover waken geen sleutel op de deur “overlastbestuur” te maken dat geen rekening zou houden met de samenwerking en de coördinatie die ter plaatse bestaat. Het is van belang een “soepele structuur” te voorzien die kan aangepast worden aan de plaatselijke eigenheden in functie van de noden van de gemeenten (sommige gemeenten wensen een bijkomende algemene coördinatiepost, andere wensen een post van projectleider specifiek belast met de administratieve boetes, andere wensen over een verbindingsbeambte te beschikken om de relaties met politie en parket te structureren,…).

- Eerder dan de gemeenten te verplichten (nog?) een coördinatiepost bij te creëren (in dit geval de “overlastmanager”), ware het dus beter:

10.3. De Alternatieve Rechterlijke Maatregelen. Toepassing van de wet die de Straf van de Autonome Arbeid invoert.

- Officiële erkenning van het statuut van de Diensten voor omkadering van de Alternatieve Rechterlijke Maatregelen (DARM).

Nu de teams operationeel zijn sinds 1996 is het betreurenswaardig dat er op geen enkel niveau in de nieuwe wet naar verwezen wordt. Enkel de taken van assistent van Justitie en van de Probatiecommissie zijn duidelijk omschreven. Nochtans kan dit gebrek aan bepaling leiden tot mislukkingen.

- Profielverandering van de prestatieplichtigen

De meerderheid van de personen aan wie een straf van autonome arbeid wordt opgelegd hebben een, soms indrukwekkend, gerechtelijk verleden. Wij vernamen dat het de strafpleiters zijn die pleiten voor een Straf van Autonome Arbeid als hun cliënten, omwille van een te zware vroegere veroordeling, geen recht meer hebben op uitstel.

De aard van de vervolgde feiten: vrijwillige slagen en verwondingen, afpersingen, deals,…

Terwijl het profiel van de prestatieplichtigen meer dan ooit verontrustend is betreuren we dat de correctionele magistraten niet systematisch beroep doen op het voorafgaand sociaal onderzoek of op het beknopt informatieverslag.

Wij kunnen niet anders dan vaststellen dat al te dikwijls zelfs de Assistenten van Justitie het gerechtelijk verleden niet kennen en geen gedetailleerde beschrijving van de gepleegde feiten in hun bezit hebben.

Dit gebrek aan informatie noopt er dus toe uitsluitend te werken op basis van de verklaringen van de veroordeelde, wat maakt dat noch de sociale werkers van de DARM, noch de verantwoordelijken van de opvangplaatsen ooit ingelicht worden over de gepleegde feiten. Dezen doen trouwens sinds enkele maanden opmerken dat ze een gevoel van onveiligheid hebben bij het omkaderen van sommige prestatieplichtigen. De DARM-teams wensen tevens te beklemtonen dat zij meer en meer het hoofd moeten bieden aan personen die agressief zijn tijdens de gesprekken.

Wij zijn er bijgevolg van overtuigd dat deze procedure gedoemd is tot mislukken indien niets ondernomen wordt om dit alles op te helderen en samen de verantwoordelijkheden van iedereen opnieuw vast te leggen.

- Ten laste neming van de werkingskosten van de DARM door de Staat, sinds jaren beloofd.

Thema's van dit artikel

Andere artikels met hetzelfde thema

Laatste update

Van "veiligheidscontracten" tot "Strategische Veiligheids- en Preventieplannen" - Geschiedenis en actualiteit
24 November 2017

Sinds 1990 had het Pinksterplan de bedoeling een nieuwe preventiefilosofie te ondersteunen door (...)...

Thema's

Agenda

13
12
2017


11
12
2017


24
10
2017